07-07-10

Wij zijn een tweeverdiener

05. Is dit de ochtend om uit te slapen? Geeuwen dan - & draaien. Of? Keren, & dan denken.
05. & Denken dan, denken. In mijn dromen weer. Bediend op mijn wenken. "Schat?" 'Schat'?
06. Als hij ook in 't echt maar niet begint te aaien. Schat! Ben ik dan zo makkelijk te paaien?
06. Strekken maar & gapen. Wakker. Onuitgeslapen. Korte lont: niets op tijd, alles op stond.
07. Ruw ontwaken. Elkaar radbraken. Alles tweemaal om dan in vieren te delen; drie en één?
07. Uitgerekend, míjn ochtend om uit te slapen. Uitgeteld. Voor wie valt er nog wat te rapen?
08. Tellen, op de jouwe passen: een moment dat nooit went, waarin men de ander niet kent.
08. Of op haar best: Dit dat rest. Wat rust. Een moment waarin men kust. En een weinig lust.

Z. Er zijn geen schaalvoordelen,
Z. aan 't werk verdelen.
M. Met 2, keer alleen!

09. Haasten. Opgestaan. "Plaats vergaan!" de jongste, luid; 'Ikke op Uw bakkes slaan?' denkt
09. de oudste. Is denken doen? STIL! Dát was schril. Waar is hij? Sorry! Sorry! Nog 'ns sorry.
10. Schorremorrie! Bende flemers - míjn bende. Even rust. Zwembril vergeten. Altijd iets kwijt.
10. Zwembril of zin in zwemmen. Zin - ook weer die strijd gestreden. "Zoek je dít?" Dáár is hij!
11. Dit keer zonder al 't opgevrij. Maar ik ben niet gezwicht: beiden onbevredigd. Ontevreden.
11. Wegen die scheiden in vijf. Drie die leren - en twee die werken, ook om het uit te werken.
12. "Hen kan 't niet deren. Voor kinderen alle rijkdom natuurlijk. En avontuur slechts stijlfiguur.
12. Hun ontspanning onze spanning." Vier zinnen lang gelogen: ónze spanning - en ons pogen.
13. Niet de kinderen die ons hinderen. Wij - met onze kuren, zijn 't die hún hersenen verzuren.
13. En laat ons niet ook 'de derden' worden die hen "de weg versperden".

M. Zijn wij slechts met twee
D. om uit te kienen,
D. hoe best met twee te dienen?

14. Terug samen. Talent of geen talent: borsten aan de vent en 't wijf, met haren op haar lijf.
14. Elkaar belichamend. Verantwoordelijkheden: iedereen te eten, & ook 'n beetje wereldvrede.
15. Afzetten. Hiperaktiviteit. Dan ben je ze eindelijk even kwijt. Voortschrijdende vermoeidheid.
15. Vergeten op te halen? Onopspoorbaar & alles afwegend: ziek van paniek. Je wil ze, kwaad,
16. wég van elk gevaar. Oh - wat is dit balen. En de deurbel gaat. Hijgend - "Geen belkrediet."
16. Wederzijds wegebbende kritiek. Huiselijke vrede. Verhalen over werelden & nog 's werelden
17. zonder al te al die grootse idealen. "Piej-r heef 't aanchefraag; & Ana heef 't doorchestuur;
17. & iedereen fin me koewl." Planning, agenda's: wat moet dat moet & meer; wij zo altijd in de
18. weer. Óns leven en het hunne. Moet dit? Al dat vitten en al dat katten? Ook wij een leven.
18. En ook dit: wat gezegd en dat gezegd - vrucht van afhaken van heel deze klucht.

W. Met twee verdienen,
W. om níet te volgen alle
D. vaste stramienen.

19. De avond valt. Het doek gaat op. Een omhelzing, ogen die knipperen; en spontane plannen.
19. Tijd voor. M'n oogleden vallen. Haar moeten gaat alles vergallen. Vermoeienis: ons moment,
20. weer gewoon een moment. En meestal wel iemand malkontent. Stuk van kapot te zitten. &
20. Net dat maar niet: alle last op lusteloze schouders, gescheiden in verdienen - de ander het
21. gelach betalend: in tweevoudige afhankelijkheid van een-mans ambitie: dat doembeeld van
21. mérite. Ideaalbeeld dan maar - het beste aan tweeverdieners is die tijd van niet-verdienen;
22. ambitie, maar in andermans positie; lust in lasten - ruim genoeg dagen om óver te klagen -;
22. lastige lusten - het ene moment het andere niet, en uitstel ook afstel niet -; zonder dwang
23. om niet te falen - verdelen van ongelijk veroordeelt niet tot gelijke delen. Verzekerd tegen
23. eenzaamheid. Altijd met publiek. Wanneer nodig met applaus (& zelfs als iets flauws).

D. En van tweeën één:
V. Misschien wel scheiden,
V. maar ook dát met ons beiden.

24. Des nachts. Een deur die kraakt. Onverwachts. Wakkere woorden voor, vier, slapende oren.
24. 'Slokende vwore kwarden doorden'? Slekende? Toorden? Doorden! Schrikken. Wakker, weer!
01. Het stemmetje: 'Tienke napesla.'? Ah! "Kan niet slapen." Wel dus, het - ik niet meer, en dus
01. weer onuitgeslapen werken, de slaap onuitgewerkt. Om beurten. Wikken, wegen. Zonder wil.
02. Weer zo'n ochtend in 't verschiet; nog eens een dag door het vergiet? Ditr keer: lekker niet!
02. Loslaten: haar sterkte, niet de mijne. Vasthouden: mijn sterkte, niet de zijne. Los noch vast
03. (laten gebeuren zonder mijn zeuren of haar (af)keuren). De ochtend komt, & na de ochtend,
03. ook het werken. Dan het regelen in de avond en, uiteindelijk, het moment voor ons moment;
04. Vasthouden de boodschap; loslaten de moraal. Ironizerend & misschien 'n ietsje te belerend,
04. So thanks! Ook voor des scheten stanks: straks heeft elke schat zijn eigen hangmat.

Z. Ik ben twee.
Z. Wat valt er meer te verdienen?

De commentaren zijn gesloten.